Cementrustiek, een internationaal verschijnsel, deel 1

Auteur: Anton Nuijten
Foto’s  : Anton Nuijten, Hetty Wilming

De smaak zou niet zijn wat hij is als men hem kon definiëren, want hij oordeelt over zaken waar het oordeel geen vat op heeft.
[Jean-Jacques Rousseau]

Het is de verdienste van Wim Meulenkamp, voorzitter van de DonderbergGroep, geweest als eerste, al weer bijna twintig jaar geleden, een specifiek, in de vergetelheid geraakt architectonisch fenomeen te signaleren en er een naam voor te bedenken: cementrustiek. Daarbij gaat het om bouwsels en voorwerpen, (geheel of gedeeltelijk) gemaakt van cement, die op kunstmatige wijze de natuur nabootsen (1). Het verschijnsel doet zich voor ongeveer vanaf het midden van de negentiende eeuw tot aan WOII en dankt zijn bestaan aan de uitvinding van nieuwe, sterkere, zogeheten zelfdragende soorten cement, oftewel gewapend cement, in België ook wel kunstbeton genoemd. De door Meulenkamp geïntroduceerde benaming is inmiddels erkend en wordt alom gebruikt.

Cementrustiek is toch nog steeds een ondergeschoven kindje binnen de geschiedenis van de architectuur. Om de aandacht voor deze bijzondere bouwkundige uiting – eveneens te bezien als een specifieke stijl en decoratietechniek – niet te laten verslappen en er opnieuw aandacht voor te vragen, heeft de DonderbergGroep onlangs een symposium georganiseerd in kasteel Doorwerth over cementrustiek, waar ook nieuwe inzichten te berde werden gebracht. Er kwamen vele voorbeelden ter sprake van met name Nederlandse en, in mindere mate, Belgische makelij. Dit is echter maar een fractie van het totale aanbod van deze typische, rustieke vorm van architectuur die in grote delen van Europa tot in Noord en Zuid-Amerika te vinden is. Als aanvulling op het symposium wordt in dit artikel een aantal cementrustieke bouwsels over de grens, van België tot aan Rio de Janeiro onder de aandacht gebracht. Daarbij zijn verschillende soorten van deze bouwstijl, qua functie en vormgeving te onderscheiden, zoals woonhuizen, (kunst)grotten, tuinhuizen en cascades, maar ook horecagelegenheden en grafkunst. Zowel nog bestaande als inmiddels verdwenen rustieke bouwwerken en ornamentiek van cement komen aan de orde. Voor het merendeel zijn er onbekende of minder bekende voorbeelden gekozen, waarvan de meeste niet meer bestaan en waarover vaak maar weinig informatie beschikbaar is. Met name voor de Nederlandse versie van cementrustiek kan de geïnteresseerde het best terecht bij de artikelen die Wim Meulenkamp hier over heeft geschreven (2).

Multifunctionele kiosk (Frankrijk, Souvigné) [Coll. Anton Nuijten]

Multifunctionele ‘kiosque’ Souvigné, (F)

1. Kanttekeningen
Over de verspreidingsgeschiedenis van cementrustiek is niet al te veel bekend. Wat steeds opduikt in de beperkte hoeveelheid literatuur hierover is dat het, wat betreft Europa, begint bij vakkundige Italiaanse metselaars of stukadoors uit het noorden van Italië (Piemonte, Lombardije en Ligurië), die door slechte economische omstandigheden in eigen land in de tweede helft van de negentiende eeuw hun geluk in Frankrijk gaan beproeven. Zij werkten er in de bouw als maçons-cimentiers (metselaars-cementwerkers/stukadoors), van Marseille tot in de Limousin, Parijs en Normandië (3). Vaak zijn het families die een eigen bedrijfje, een atelier, beginnen, gespecialiseerd in een bepaald soort vakwerk, zoals rocaille, rotseerwerk. Een goed voorbeeld van deze praktijk is de Kiosque à musique et lavoir, die in 1910 werd opgericht door de van oorsprong Italiaanse rocailleur Boero te Souvigné, nabij Tours. Hij behoorde tot een familie van glasblazers die zich door de neergang in deze branche hadden omgeschoold tot rotswerkers. De Kiosque staat er nog steeds, tegenover het stadhuis. Het is een unieke, multifunctionele folly (niet alle follies zijn immers zonder praktisch nut), gebouwd als drietrapsraket: op de begane grond bevond zich een kleine gevangeniscel voor locale vagabonds en een ruimte voor de spullen van de brandweer en een toilet; op de eerste verdieping oefende de fanfare en op de bovenste etage, aan alle zijden geheel geopend, werd de muziek ten gehore gebracht voor de dorpelingen. Buitenom liep een trap van imitatie-hout (faux bois), die ook nog bewaard is gebleven. De familie Gagliardone, eveneens van Italiaanse komaf, bouwde aan het eind van de negentiende eeuw fraaie cementen balkons en ander rustiek werk in Marseille. En zo zijn er, alleen al in Frankrijk, nog zeer vele andere voorbeelden van rotseerwerk te geven, genoeg voor een dik boek. In dit artikel wordt een beperkt aantal daarvan behandeld (4).

Het is overigens niet zo dat de cementrustiek in Italië is ontstaan. Er zijn daar, in verhouding tot landen als Frankrijk en Portugal, ook maar weinig voorbeelden van deze vorm van decoratietechniek te vinden. Weliswaar kwamen de vaklieden, de stukadoors en metselaars, uit Noord-Italië, maar naar alle waarschijnlijkheid hebben ze zich na emigratie naar Frankrijk pas in dit land gespecialiseerd in de rotseerkunst. De Italianen hadden een grotere technische vakbekwaamheid dan hun Franse collega’s, evenals een grotere kennis van vormen van tuinornament. Vanuit deze ‘voorsprong’ ontwikkelden zij de rotseerkunst in Frankrijk. Daarmee konden ze zich onderscheiden en nieuwe klandizie werven. Het is ook een feit dat de Italiaanse maçons-cimentiers in Frankrijk hun kunstige cementrustieke werken als reclame gebruikten voor hun (familie)bedrijfjes.
Noord-Frankrijk is van belang als doorgeefluik van cementrustiek naar België en vervolgens Nederland, waar ook allerlei kleine familie-ateliers werden opgericht of grotere bedrijven voor cementproductie en rotseerwerk. Bekende namen zijn de firma’s Blaton-Aubert, Picha, Tondeleir en Janssens en Zonen in België. In Nederland is met name de firma Moerkoert uit Utrecht, waarover Donderberger Eric Blok op het symposium in kasteel Doorwerth uitweidde, een bekende naam.

Maar hoe gaat het verhaal nu verder? Waar komen al die grandioze kunstgrotten, imitatie-knuppelhouten bruggetjes, paviljoens, cascades en dierenverblijven in Portugal, Spanje tot aan de andere kant van de oceaan in Brazilië, Argentinië en Uruguay vandaan? Hierop moet ik vooralsnog het antwoord schuldig blijven, althans ten dele. Wel is het bekend dat met name Franse paysagistes (tuinarchitecten), zoals Eduard André en Eugène Courtois, cementrustiek in de tweede helft van de negentiende eeuw introduceerden in Argentinië. Hetzelfde geldt voor hun landgenoot en collega Paul Villon die Braziliaanse (stads)parken, onder andere in Belo Horizonte en São Paulo, tussen 1870 en 1905, verrijkte met kunstrotsconstructies (5). Ook trokken veel Italiaanse ambachtslieden, naar deze landen en hebben zij daar naar alle waarschijnlijkheid de rotseerkunst ontwikkeld, zoals ze dat ook in Frankrijk deden. In ieder geval is de van oorsprong Catalaanse vakman Francisco Matosas (1886-1947) verantwoordelijk voor een twintigtal huizen met cementen decoraties in de stad Mercedes, in Uruguay, het land waarnaar hij in het begin van de twintigste eeuw emigreerde.

Bij de verspreiding van deze bijzondere vormentaal en bouwmethode zullen ook de vele catalogi van firma’s van rotswerk die in Europa zijn uitgegeven, met allerlei voorbeelden van cementrustieke bouwsels en versieringen, zoals die van Blaton-Aubert (Brussel), F.J. Moerkoert jr. ( De Bilt) of de Franse firma’s Couchoud, constructeur du cimentciment Lyon en Dosso (Normandië), een rol hebben gespeeld. Cementrustiek lijkt vooral een rage te zijn geweest, tussen circa 1870 en het eerste kwart van de twintigste eeuw, met name in katholieke landen. Zou de grote vraag naar Lourdesgrotten en processieparken in deze landen in de loop van de negentiende eeuw ook de weg hebben geëffend voor profane kunstgrotten en namaak rotswerk of faux bois? Er zijn wel voorbeelden te vinden in Tsjechië en de oude Balkanlanden, zelfs in Denemarken en Rusland, maar in beduidend mindere mate. Of er moet hier nog veel ontdekt worden.

Cascade, Park De Nayer (Oost-Vlaanderen-Be, Willebroek) [Coll. Anton Nuijten]

Cascade Park De Naeyer Willebroek (B)

Een ander interessant aspect van cementrustiek, dat ik hier nog wil noemen, is dat dit verschijnsel direct gekoppeld is aan de opkomst van de bourgeoisie in de loop van de negentiende eeuw, met name tegen het eind van deze periode. Het was niet meer, zoals voorheen, voorbehouden aan de aristocratie, om een prachtige, maar ook kostbare, romantische landschapstuin aan te (laten) leggen. Door de voortdenderende industrialisatie in deze tijd beschikten de nouveaux riches, waaronder industriëlen en notabelen, ook over ruime financiële middelen en hadden zij de pretentie om hun status onder andere door middel van tuinkunst te manifesteren. Dit zien we in de privé-tuinen van deze lieden, zoals het park van Louis De Naeyer te Willebroek, België, Parc du Manteau in La Seyne sur Mer, Frankrijk, of het Parque Lage dat de industrieel Enrique Lage in 1920 te Rio de Janeiro, Brazilië, liet aanleggen. Maar ook voor de gewone burgerman komt het romantische, denkbeeldige landschap binnen bereik door de aanleg van vele stadsparken tegen het einde van de negentiende eeuw. Bekende voorbeelden zijn de Parijse parken van Buttes-Chaumont, Montsouris of Champ de Mars (nabij de Eifeltoren). Minder bekende stadsparken in het buitenland zijn: Villetta di Negro in Genua, het Parque del Oeste te Madrid, Ezbekieh park in Caïro, Plaza Constitución, Buenos Aires en dichter bij huis, het Marie-Louise Park in Namen en het Gentse Citadelpark; in Nederland is het Kronenburgpark te Nijmegen een goed voorbeeld. Maar ook in Central Park, New York, zijn cementen bouwsels te vinden, enzovoort. Deze parken waren de schilderachtige, idyllische plekken in een verder verstedelijkte omgeving, waar volop kunstgrotten – en cascades en ander rustiek cementwerk waren te zien. Hetzelfde geldt voor de vele dierentuinen en botanische tuinen die ongeveer tezelfdertijd overal binnen en buiten Europa in de grote steden werden aangelegd en veel bezoekers trokken (6). Wat we hier ook zien is de ‘verstening’ van de natuur. Door verstedelijking wonen en werken steeds meer mensen in de stad. De natuur wordt hier dan naartoe gehaald met behulp van imitaties daarvan, zoals de bekende faux bois en allerlei andere namaak. De gekunsteldheid die hieraan ten grondslag ligt, wordt door de vakbekwaamheid van de rotseerders op een hoger plan getrokken en, zeker op zijn best, doet cementrustiek niet onder voor andere bouw- of decoratievormen en wordt de natuur subliem nagebootst – als een laatste uiting van romantisch verlangen, zoals deze is verbeeld in de tuinlandschappen van de achttiende en negentiende eeuw. Tegen het eind van de negentiende eeuw wordt het ook duidelijk dat de gegoede burgerij namaak (kunstmatige nabootsing) prefereert boven het origineel (de natuur), in de westerse cultuur. Daarnaast is het belangrijk te constateren dat het beroep van rotseerder een van de laatste ambachten is in een tijd, ongeveer een eeuw geleden, waarin steeds verder doorgevoerde mechanisatie overheerste.

Tot slot nog een wezenlijk facet van cementrustiek. Bij deze vorm van architectuur en versiering doet zich het unieke verschijnsel voor dat de kunst niet zozeer vanaf boven, uit de bovenlaag, de elite, van de maatschappij naar beneden doorsijpelt, maar eerder van onderaf door ambachtslieden, rotseerders, wordt gecultiveerd (7). De professionele architect kon wel de plaats bepalen waar een cementen bouwsel moest worden opgericht in een tuin of park en het bouwtype dat hij wenste – grot, waterval of prieel bijvoorbeeld – maar het was aan de vakman om hier de uiteindelijke vorm van te bepalen. Nog extremer zien we deze ontwikkeling later terug bij de zelfbouwers van follies, die geheel naar eigen inzicht, met of zonder vakkennis of ook maar enig ontwerp, en voornamelijk voor zichzelf, hun fantasie uitleven in ongebreidelde bouwkunst. Het Palais Idéal, dat Facteur Cheval (1836-1924) tegen het eind van de negentiende eeuw in 33 jaar, geheel eigenhandig, als een microkosmos te Hauterives bouwde, is hiervan een groots, complex en onovertroffen voorbeeld.

2. Voorbeelden van verschijningsvormen van cementrustiek

Villa Socrate(s) (Oost-Vlaanderen-Be, Zottegem) [Coll. Anton Nuijten]

Villa Socrate(s), Zottegem (B) (coll. AN)

Woonhuizen / villa’s met park of tuin
Over de Belgische grens, in Zottegem (Oost-Vlaanderen), zijn meerdere voorbeelden van cementrustiek te vinden. Een daarvan is de Villa Socrate(s), die circa 1900 werd ontworpen en gebouwd door ene Jules van Steenberge, aan de Brugstraat (nu Laurens de Metsstraat). Het staat pardoes naast de woning van de plaatselijke brouwer, dhr. G. Van Vijven. Voor het huis bevond zich een kleine tuin, met een toegang aan de straat. Hier was een lage muur opgetrokken waarin twee cementen boomstammen waren verwerkt. In de dikste ‘boom’, naast een sierhek, was een brievenbus gemaakt. Aan de voorzijde van de villa bevond zich een terras, overkoepeld met een glazen dak, steunend op enkele namaak-bomen. Vanuit de tuin kon men over een bruggetje met een leuning van ‘hout’, dat over een siervijver reikte, via een trap, afgezet met stukken rots, op de veranda komen. In de onderbouw van het terras waren nissen gemaakt, gelijkend op kunstgrotjes. Later woonden twee ongetrouwde vrouwelijke telgen van de Van Steenberge-familie, die een korsettenwinkel bestierden, in de ‘villa’. Het huis bestaat nog, maar de sierlijke veranda is vervangen door een massieve variant. Het cementrustieke bruggetje over het water en de rotstrap zijn bewaard gebleven (8).
Een ander pand in Zottegem, op oude ansichtkaarten aangeduid als Villa, Château of Kasteel Van Lierden was gelegen aan de Avenue Mussely. Het werd gebruikt als school, École d’Arboriculture (boomteelt), en was geheel omheind met muren. De ingang bestond uit een grote boog van kunstrotsen. Op afbeeldingen van dit grote gebouw, daterend uit ongeveer 1900-1920, is tegenover de ingang ervan een hoek te zien van een ander huis. Ook hier in de omheining faux bois, in de vorm van boomstronken. Evenals de Villa Van Lierden is een ander voorbeeld van cementrustiek, de Villa Hirondelles te Kapellen (nabij Antwerpen), al langer verdwenen. In de landschappelijke aanleg achter het eveneens rustiek, als chalet aangeklede woonhuis, kon de eigenaar of zijn bezoek langs de vijver wandelen tot aan een partij kunstrotsen, waar een brug met relingen van namaak-hout over het water spande.
In de deelgemeente Ekeren van Antwerpen staat de Villa Les Rochers, die in 1902 werd gebouwd door de firma Merckx-Verellen in opdracht van Frans Claessens-Bellens, een welgestelde handelaar. Tezelfdertijd werd in de grote tuin aan de achterzijde een bevallig cementrustiek prieel neergezet dat er zelfs nog steeds moet staan, wat vrij zeldzaam is, zoals dat geldt voor vrijwel alle nog bewaard gebleven voorbeelden van deze rustieke stijl. Het is een eenvoudige maar sierlijke constructie met een (mogelijk nep-)rieten zadeldak, dat rust op vier nagemaakte boomstammen. Alleen de achterwand, bekleed met witte tegels, waarop een bloempatroon is aangebracht, is gesloten. De aanduiding ‘Les Rochers’ als benaming van de villa verwijst naar de vele rotsblokken die zowel de onderbouw van het huis als het prieel sierden en uit de Ardennen werden aangevoerd. In dit geval is er dus sprake van een vermenging van echte rotsen met cementrustieke elementen. Deze combinatie komt vaak voor.
In Edelare (Oost-Vlaanderen), aan de Vlaamse Ardennendreef 10, bouwde de burgemeester van het nabijgelegen Oudenaarde, P. Raepsaet, aan het einde van de negentiende eeuw Villa (Marie-) Louise in vakwerk-/chaletstijl, met een hoge uitkijktoren. Het huis stond op een heuvel, waarin één of meer kleine kunstgrotten waren aangebracht. De uitkijktoren is verdwenen, het grotwerk vermoedelijk evenzo.
Zoals ook bij de hierboven beschreven en nog te volgen woonhuizen, met bijbehorende tuin, was de bouwheer van het Joséphine paviljoen in het Jacques Brelpark te Brussel een welgestelde burger, oliemakelaar van beroep. Het park heette vroeger Les Eperons d’Or en was de residentie van Francois Adrien Tayart de Borms, die er een landhuis of kasteel neerzette, waar nog maar nauwelijks iets van resteert. Hij trouwde in 1897 met Joséphine Bailly. Voor haar liet hij in 1906 een achthoekige pagode oprichten van drie verdiepingen, door de firma Blaton-Aubert. Rondom de ramen, langs de rand van de eerste verdieping en op de hoekranden zijn versieringen met imitatie-boomstammetjes aangebracht. Zeker moet er oorspronkelijk meer rustieke decoratie zijn geweest, maar de folly was vier jaar geleden al danig vervallen; het is maar de vraag, wat er nu nog van over is.
In Oud-Turnhout (Antwerpen) bevindt zich het Domein Echelkuil, Schuurhovenberg 21, waar het voormalige jachthuis van de familie Misonne uit Turnhout staat, dat in 1934 of 1936 is gebouwd. Het is een nogal onbevallige, rechthoekige constructie, geheel van beton, dat er toch wel tamelijk rustiek uit ziet door de aankleding met allerlei namaakdecoraties, geïnspireerd op natuurlijke materialen. Een trap, afgezet met een leuning van ‘knoestige boomstammetjes’ leidt omhoog naar een omloop met dito reling. De omloop wordt ondersteund door als bomen vermomde pilaren. De trap voert nog verder omhoog naar het dak, dat gedeeltelijk is afgezet met een ‘houten’ balustrade. Hier zal de bezoeker, zoals bij een belvedère, een goed uitzicht hebben op de omgeving, het natuurgebied De Lier. Boven de voordeur is een raadselachtige Latijnse spreuk aangebracht: sicuti nycti corax in paludibus limosis, te vertalen als: Zoals een kwak [reigerssoort] in de slijkerige moerassen (9). Nabij het huis is een vijverpartij aangelegd in de vorm van een echel, een bloedzuiger. Hier kweekte ene Dr. Smagghe bloedzuigers voor medisch gebruik. In een advertentie omschrijft hij zijn onderneming als Etablissement de Piscineculture et d’Hirodu [bloedzuiger]culture en is het jachthuis afgebeeld met een schuur als aanbouw. Er is nog een alleraardigste verrassing: de eik die dwars over de vijver ligt, is geheel namaak en fungeert als brug.

Dan zijn er nog een aanzienlijk aantal andere cementrustieke objecten bij woonhuizen in de Nederlandstalige provincies van België, waarvan een korte opsomming:

Antwerpen (stad en provincie)
Antwerpen, Brasschaat, Bredabaan 502-504: Kasteel Torenhof: grillig gevormde rotsmuur langs de vijver voor het huis, met tussendoor gedetailleerde leuningen van pseudo-boomstronken;
Dessel, Landhuis De Schans, Schans 21: gebouwd circa 1897 en tot 1908 zomerverblijf van Baron E. van Eetvelde. Omringend park met meerdere tuinornamenten al dan niet gebouwd of verfraaid met cement;
Kasterlee, Landhuis Hof ter Heide: zeshoekig huisje in park, gedecoreerd met faux bois en gesigneerd door de maker: A. Alberson;

Rotstuin voorbeeld, atelier Firma Janssens, ca 1912 (België, St Niklaas) [Coll. Anton Nuijten]

St-Niklaas, rotstuin als toonbeeld van atelier Firma Janssens

Oost-Vlaanderen
Berlare, Hogeweg 9, Directeurswoning van touwfabrikant Gustaaf van den Berghe: boogbrugje en volière op T-vormige plattegrond, circa 1900;
Berlare, Huis Everaert, Burgemeester de Lausnaystraat 40: voormalig buitenverblijf van familie van Ruytegem. Inrichting van de tuin begin negentiende eeuw met meerdere follies in cementrustiek;
Berlare, Huis de Smet, Dorp 54. De tuin achter het huis werd aangelegd in opdracht van een latere bewoner, notaris L. Hemelrijk, circa 1900. Meerdere voorbeelden van cementrustiek, waaronder: volière, cascade, bruggetje en kleiner werk, zoals een zitbank en paddenstoel.
Lebbeke, Villa De Olmen, Nieuwstraat 83: tuinpaviljoen met cementrustieke details en een merkwaardige kunstgrot van gewapend beton en cement;
Sint-Niklaas, Landhuis / Domein Groenhof, Belseledorp 131-133: meerdere cementrustieke objecten, waaronder een onderdoorgang van kunstrotsen, enkele stukken tuinmeubilair (zitbank, tafel, waterput, stoelen) en nog meer kunstrotsen van Arthur Tondeleir en zoon, rotseerders-atelier uit Oud-God, Antwerpen, bekend van gedetailleerd rotswerk in het Mariapark Averbode (10). Het rotswerk van de Groenhof dateert uit 1929, toen het park in bezit was van het echtpaar Scheerders-Van Kerckhove, eigenaren van steenfabrieken in Sint-Niklaas, en bevindt zich in de Japanse tuin, onderdeel van de landschappelijke aanleg;
Sint-Niklaas: concurrerend rotseerder Frans Janssens uit Westmeerbeek bouwde ergens in deze plaats een klein ensemble van kunstrotsen, met een achthoekig prieel, waterloop, onderdoorgang en trappen. Het geheel is te zien op een prentbriefkaart uit 1912, met als opschrift: (links) Spécialité d’encrochements F. Janssens, Westmeerbeek (prov. D’Anvers); (rechts) Travail exécuté a St-Nicolas (Waes). Waar bevond zich dit bonkige rotslandschap, en bestaat het nog?
Wetteren, La Warande, ook wel genoemd Chalet de M.J.-B. Vandevelde. Bizarre combinatie van een rustiek tuinhuisje, met namaak- boomstammen en takken, en een grot;
Wetteren, Sint-Barbaragesticht, Coopallaan 128. In de tuin staat of stond een volière op een rechthoekig grondplan, met een imitatie-strodak en siervogel boven de portiek van cement, circa 1930-1950.

West-Vlaanderen
Anzegem, Villa Moortgat, Warandedreef 3, op de Tiegemberg, genoemd naar de toondichter (met name van kerkmuziek) Alfons Moortgat, die er een tijd heeft gewoond. Het huis werd aan het eind van de negentiende eeuw gebouwd door Vital Moreels, eveneens verantwoordelijk voor de aanleg van het park. Moreels was een rijke ondernemer en mecenas. Hij diende acht jaar als burgemeester van Tiegem en was vanaf het begin betrokken bij de oprichting van het bedevaarts- en ontspanningsoord Sint-Arnolduspark. Op prentbriefkaarten, naar alle waarschijnlijkheid uit het eerste kwart van de negentiende eeuw, wordt het huis aangeduid als Villa Albert, volgens het onderschrift gelegen in het Bois de Tieghem. Het is omzoomd met kunstrotsen; het balkon aan de voorzijde is versierd met ‘boomstammen’ en een trap langszij is afgezet met een namaak-houten leuning. Huidige bezoekers begrijpen de betonnen tierelantijnen niet; in hun ogen een overdaad aan namaak (11). En wie was nu die ‘Albert’?
Anzegem: nabij de fabuleuze cementrustiek van het Sint-Arnoldus park bevindt zich op een heuvel (Meuleberg) De Kijktoren / Belvedère van twee verdiepingen met daarnaast een klein huisje, in 1908 eveneens gebouwd voor Vital Moreels, met puike boom-imitaties. Het behoorde, volgens mijn bevindingen, tot Huis Ten Bergh dat tussen 1908 en 1914 werd bewoond door de landschapsschilder Valerius De Saedeleer;
Anzegem: de rustieke Kiosk met nep-houten omheining is onlangs gesloopt;
Anzegem, Villa Can(n)oo (of Canoit of Quesnoy): balkon op erker versierd met ‘boomstammen’;
Kortemarkt (West-Vlaanderen), Herenhuis, Handzamestraat 159: voorbeeldig Vlaams plaatsje met obligate Lourdesgrotten, pensionaat / kostschool, rustoord en landbouwschool. Achter het vrijstaande Herenhuis in de Handzamestraat bevond zich een kunstgrot, maar die is er niet meer. Er moet nog wel een achthoekig halfopen prieel onder tentdak, volledig uitgevoerd in cementrustiek staan (12).

Façade Huis Mon Desir (Frankrijk, Givet) [Foto: Hetty Wilming]

Façade Huis Mon Desir, Givet (F) (foto HW)

Vlaams-Brabant
Leuven, Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, Andreas Vesaliusstraat 2: terras in voortuin met omheining van namaak-takken en dito rotswerk op ondergrond van baksteen gemetseld, circa 1900.
Ook in Wallonië is nog veel cementrustiek te vinden, zoals de met groot gevoel voor detail in cement uitgevoerde ‘houten’ balustrade van een voormalige uitspanning in Trooz of een villa dichtbij Dolhain met een kunstgrot die op straat uitkijkt en waarvan de voorhof is volgestouwd met een partij grillig gevormde kunstrotsen (13). Dankzij een reisje naar de Ardennen in 2011 kunnen twee ‘nieuwe’ objecten worden toegevoegd aan de verzameling van cementdecoraties in deze streken. Even buiten Givet, aan de baan naar Dinant, staat Villa Rustique. Een wankele cementrustieke brug leidt naar de voordeur van het huis; op meerdere plaatsen is het onderliggende geraamte van ijzeren stangen te zien. In de voorgevel zijn cementen boomstammetjes verwerkt. Deze decoratie is ook zichtbaar in de façade met balkon van het huis Mon Désir, dat dichterbij het centrum van Givet ligt. Dit zijn goede voorbeelden van cementrustiek als geveldecoratie, zoals die in Nederland onder andere waren te zien bij het Boomschorshuisje in Amsterdam en een dierenverblijf van Artis aldaar.
Château Ste-Barbe te Nivelle (Nijvel, Waals-Brabant) is een mysterie. Niets over te vinden behalve een oude prentbriefkaart. Daarop is een gedeelte van een groot landhuis te zien met aan één zijde een grandioze Jardin d’hiver, volgens het onderschrift op de kaart. De eclectische architectuur oogt begin twintigste eeuw. Het bijzondere eraan is dat de gehele aanbouw bovenop een omvangrijke, tamelijke hoge rotsmassa is geplaatst, waarin donkere openingen van kunstgrotten zijn te zien. Een trap leidt naar boven naar een terras, dat is afgezet met een balustrade van namaak-boomstronken.
De kunstige cementdecoraties van het prieel La Grotte in Parc de Longchamps te Basse Wavre (Waals-Brabant), ten zuidoosten van Brussel, zijn eveneens alleen nog op oude afbeeldingen uit circa 1900-1920 te bewonderen. Het bestond uit twee verdiepingen, met onderin een kunstgrot en daarboven een naar alle zijden geopende constructie met ‘boomstammen’ die het rieten dak ondersteunden; in de tuin ook nog hier en daar klein rotswerk, waaronder Le Rocher Bayard. Het grotpaviljoen lijkt op voorbeelden van Blaton-Aubert.
Van wie het Parc de Longchamps ooit is geweest, is niet bekend. Met inmiddels verdwenen gelijksoortige parken als dat van de industrieel Louis De Naeyer te Willebroek (Antwerpen), Château Lieutenant-Peltzer (kapot gebombardeerd in 1941) in Verviers (Luik) en de villa La Campagne te Renaix (Ronse, Oost-Vlaanderen) alsook La Warande in Wetteren (Oost-Vlaanderen) en alle bovengenoemde villa’s, is het park van Longchamps een toonbeeld van een bourgeois-tuin, zoals die zich tegen het einde van de negentiende eeuw ontwikkelde en veel voorkwam in België en andere Europese landen, en waar cementrustiek zogezegd welig tierde (14). Een cascade van kunstrotsen die vanaf een heuvel het water naar beneden voert, moet trouwens een gewild tuinornament zijn geweest, getuige de grootse waterval in het park van Louis De Naeyer, die op meer bescheiden formaat terugkeert in de tuinen van Villa La Campagne en Château Lieutenant -Peltzer. Zelfs in Spanje, in het Parque del Oeste, was oorspronkelijk een vergelijkbare kunstmatige waterval van aanzienlijke omvang geplaatst, opgebouwd uit vreemdsoortig uitziende terrassen met veel rotswerk. Het zijn in feite de rustieke bourgeois versies van de gigantische watervallen uit tuinen als de Wilhelmshöhe te Kassel, Duitsland en de Giardino all’inglese van Caserta in Italië.

Villa (Frankrijk, Jeumont) [Foto: Hetty Wilming]

Villa, Jeumont (F)

Een voortreffelijk voorbeeld van Franse ciment rustique, type woonhuis/villa, staat in het plaatsje Jeumont, dicht bij de Belgische grens. Het betreft een vrijstaand huis van twee verdiepingen dat, met name aan de voorzijde, geheel gedecoreerd is met cementen boomstammetjes in alle soorten en maten, al dan niet gerangschikt in patronen. Hier is een groot vakman aan het werk geweest. Zijn naam is niet bekend; hij zou van Vlaamse komaf zijn. Boven de voordeur is de datum 1897 te zien en nog verder naar boven in de middenpartij de letters DM – initialen van de onbekende opdrachtgever? De villa wordt nog bewoond (15).
Meer naar het oosten in Frankrijk, te Epernay, nabij Reims, aan de Avenue de Champagne 18 (waar anders?), bevindt zich het befaamde Maison Moët et Chandon, waar de betere champagne vandaan komt. Loop door het oude pand geheel naar de achterzijde, waar de toiletten zich bevinden. Vandaar is de achtertuin (verboden toegang) redelijk goed te zien, en daar staat een verbazingwekkende, perfect onderhouden kunstgrot te pronken, met bruggetjes en een solitaire, subliem nagebootste boomstam (als bewijs van vakmanschap). Zo te zien eind negentiende eeuw; en een goed bewaard geheim.
Een veredelde versie van het Amsterdamse boomhuisje staat aan de Place Martin Nadoud 3 in Parijs. Het pand werd in 1899 gebouwd door Charles Jean Delacroix, verkeert in goede staat en is in gebruik als crèche. Het werd ooit beschreven als une curieuse crèche au style ‘forestier blanchi‘ (een zoveelste synoniem voor cementrustiek, waarbij blanchi = gebleekt staat voor stucwerk). De gevel is kunstig voorzien van cementen takken, twijgen en boomstronken (16). Ongeveer tezelfdertijd werden de aan een straat gelegen voorzijde en zijkant van Villa Masson in Gondrexange, ten oosten van Nancy, spectaculair opgesmukt met een diversiteit aan faux bois, kronkelend over de gevels langs ramen en balkons, met als toegift: stalactieten onder de dakrand. Op het dak was nog een terras gemaakt omzoomd met hekwerk van imitatie-hout; in een hoek torende een belvedère boven het gebouw van drie verdiepingen – en dit alles in dezelfde verbazingwekkende, rustieke stijl.
Onverwacht duikt dergelijke manier van geveldecoratie, zoals die hierboven ook al is beschreven bij twee woonhuizen in Givet, België, op in een ander continent: Zuid-Amerika. In Buenos Aires, Argentinië, stond aan de Jean Jaures straat een pand waarvan de gevel uitbundig was versierd met boomstammen, takken en twijgen van cement (gesloopt in 1997). Een nog verbluffender kunststukje is de Casas Matosas aan de Carega straat in de stad Mercedes in Uruguay. De cementen decoraties zijn zeer verfijnd uitgevoerd, gelijk het betere beeldhouwwerk, maar het geheel oogt incongruent en sluit meer aan bij zelfbouwfollies en Franse insolites of architecture naïve. Het huis werd circa 1935 gebouwd door Francisco Matosas (1886-1947), afkomstig uit Badalona in Catalonië, Spanje, die aan het begin van de twintigste eeuw naar Uruguay emigreerde, vermoedelijk als anarchist op de vlucht voor de Spaanse autoriteiten. Matosas werd in zijn werk beïnvloed door Gaudi; diens constructies in de Artigas tuinen van La Pobla de Lillet (waarover meer in een ander artikel in deze PorteFolly) moet hij hebben gekend.

Niet minder voorbeeldig is de Villa Belmira, die in het centrum van Ponte de Lima, in het noorden van Portugal, belendende architectuur ruim overtroeft in kasteel-allure. Aldaar heet dat dan: fantastica casa. Het geheel is een eclectisch samenraapsel, met een kunstgrot in de tuin, een brug met leuningen van imitatie-hout die door de lucht van de toren naar het huis loopt, en nog meer rustieke details. De folly werd in 1906 gebouwd door Dr. Freitas. Eveneens vermeldenswaard is het sierlijke, opengewerkte prieel dat op een kunstgrot is gebouwd aan de rand van het Parque de São Roque te Porto, Portugal – opnieuw een pronkstuk van cementrustiek.

Lampdragers serre, kasteel De Naeyer (Antwerpen-Be, Lebbeke) [Foto: Hetty Wilming]

Wintertuin, met deur naar landhuis, Lebbeke (B) (foto HW)

Wintertuin
In Lebbeke, een kleine stad tussen Gent en Brussel, staat Kasteel De Naeyer (-Van Dieren), dat in 1880 werd aangekocht door de industrieel Pieter Frans De Naeyer (een broer van de eerder genoemde filantroop Louis De Naeyer, met fabrieken in Willebroek). P.F. De Naeyer werd rijk met een lompenfabriek (Lebbeke = voddekot), die hij vanaf 1850 dicht bij zijn woonstede exploiteerde. Aan het ‘kasteel’ (meer een landhuis), toepasselijk gelegen aan de P.F. De Naeyerstraat 8-10, is niet veel bijzonders te zien, ware het niet dat aan de rechterzijde een opmerkelijke wintertuin is aangebouwd, die ooit zou zijn bedoeld als trouwzaal voor de dochter van de fabrikant. Deze ruimte dateert uit 1908 en werd uitgevoerd als namaakgrot door de firma Blaton-Aubert uit Brussel, gespecialiseerd in Kunstmatige Rotsen, grotten, aquariums (17). Hoewel het al jaren sterk verwaarloosd is, was bij een visitatie aan de aanbouw, zo’n twee jaar geleden, de oorspronkelijke opzet nog redelijk te reconstrueren, daarbij geholpen door een oude, zeldzame ansichtkaart van het object.
De wintertuin is gebouwd als een grote, rechthoekige ruimte, ongeveer twaalf meter lang, die geheel was ingericht als druipsteengrot, voorzien van de obligate stalactieten en kunstrotsen, die aan het plafond en tegen de wanden waren bevestigd. Over de lengte van het plafond was een lichtkoepel aangebracht. Door een deur kwam men van het woongedeelte in de ‘tuin’. Aan beide zijden van deze ingang stond een groengekleurd gipsen beeld. Dichtbij staat een kachel, ter vervanging van de oorspronkelijke verwarming met warmwatercirculatie via roosters. Er waren nog diverse andere cementdecoraties, zoals een ‘houten’ bankje, perfecte nagebootste takken als leuning bij een trap naar een klein balkon en een paar paddenstoelen (bij de kachel), die zijn terug te vinden in een catalogus van Blaton-Aubert (18). Aan de zijkanten en voorzijde waren deuren en ramen aangebracht, omlijst met cementen boomstammen en faux rochers (op baksteen). Voor het ruimtelijke effect waren er ook spiegels tegen de wanden geplaatst en stond er vroeger waarschijnlijk ook nog een fontein. Verder kan men er nog een hertenkop vinden aan de muur en de restanten van elektrische lampen. Aan de zijde naast de voorgevel van het woonhuis loopt buitenom een trap omhoog tussen kunstrotsen naar een terras bovenop de grotruimte binnenin, afgezet met ‘boomstammen’ als balustrade. Het landhuis en zijn wintertuin – en in de omringende tuin nog een onderkomen chalet / theehuisje, kapel en oranjerie – zijn nog steeds in handen van de familie De Naeyer. (Mevr. Beatrice de Naeyer woont in een nieuwbouwhuis voor het kasteel).
De wintertuin te Lebbeke vertoont gelijkenis met de inpandige grotruimte in het woonhuis van de rotseerder Frans Janssens te Westmeerbeek, dat op de wereldtentoonstelling van Antwerpen van 1910 heeft gestaan; in 1912 werd het opnieuw opgetrokken in Westmeerbeek, waar het inmiddels al jaren staat te verpieteren (19).

Een andere inpandige wintertuin bevindt zich in een van de kamers van Kasteel Loppem of Caloen te Zedelgem, een pronkstuk van Belgische neogotiek. Naast het roodsalon (een herenkamer) is hier een wintertuin ingericht. De afmetingen daarvan zijn mij niet bekend. Het plafond is van dennenhout. In een van de met rotswerk beklede wanden, met via een raam uitkijk naar buiten, is een Mariabeeld geplaatst. Het plafond is ook nog voorzien van vele stalactieten en er hangen of hingen vogelkooien in deze voorbeeldige kunstgrot. De huidige inrichting stamt uit 1913, naar ontwerp van de architect Jozef Viérin, ter vervanging van een oudere constructie (20).

Nog een Vlaams specimen van een wintertuin staat in Wervik, bij Kortrijk, achter het herenhuis aan de Sint-Medardusstraat 5. Het heeft sinds 2002 de status van beschermd monument. De wintertuin werd tussen 1889 en 1890 gebouwd in opdracht van de rentenier Théophile Godtschalk, die er ook nog een kleinschalige landschapstuin aan toevoegde met een kunstgrot en rotsbrug van rustiek cement. Voor de wintertuin werden de oude paardenstallen gebruikt. De wanden waren bekleed met rotswerk, waarin drie spiegels waren verwerkt, voor ruimtelijk effect. Achter de rotswanden schuilde een vernuftig watersysteem (21). Het is de vraag waarvoor dit diende – voor een fontein of een kleine waterval misschien? De wintertuin is recentelijk gerestaureerd.
De enorme, niet meer bestaande, Jardin d’ Hiver van Château Ste-Barbe bij Nijvel was een constructie van glas en ijzer. Het geheel was in het midden bekroond met een grote glazen koepel, typisch voor serres, zoals bijvoorbeeld de dichtbijgelegen koninklijke serres te Laken, Brussel, die weliswaar op nog grotere schaal zijn opgetrokken. Of er in deze wintertuin ook rotswerk viel te zien, is niet bekend. Een spectaculair Italiaans voorbeeld is de Giardino d’Inverno van Fiat in Moncalieri nabij Turijn, de hoofdvestiging van de autofabriek. Deze grote kunstgrot maakte deel uit van een herstellingsoord voor werknemers van Fiat. Aan één zijde waren er meerdere grote ramen, omlijst met zwaar aangezet rotswerk, dat ook rijkelijk op het plafond en de muren was aangebracht. In het bijbehorende park stond nog een kleine, lieflijke Lourdesgrot en een kerkje. Voor het wereldse genot kon de ‘patiënt’ dichtbij terecht in La Grotta Gino, waarover later meer.

Wintertuin Hotel Maréchal, ansicht ca. 1900 (Frankrijk, Lille) [Coll. Anton Nuijten]

Wintertuin Hotel Maréchal, Lille (F), ansicht ca. 1900

Van Frankrijk zijn mij weinig voorbeelden van wintertuinen bekend, behalve twee prachtexemplaren. Het eerste exemplaar vormde ooit een onderdeel van Hotel Maréchal, Rue Solférino 302, te Lille. Wat ervan resteert is een oude prentbriefkaart uit het begin van de twintigste eeuw. Daarop is een ruimte te zien, waarvan de wanden zijn bedekt met grillig gevormde rotsbrokken, spiegel(s), een namaak-boom als pilaar die het dak ondersteunt, een deur in de achterwand met imitatie-hout in verschillende patronen en druipsteenformaties; en tussen alle spleten en gaten in de rotsmuur groeien planten. De grotkamer behoorde tot een drietal zalen in het hotel die bestemd waren voor trouwerijen, en waar men onder andere kon eten. Een ander Frans voorbeeld, dat wel bewaard is gebleven, maakt deel uit van L’hôtel Blémont aan de Rue Ballu, Parijs, dat aan het begin van de twintigste eeuw werd gebouwd in opdracht van de financier Eugène Bertin. De jardin d’hiver heeft een halfronde vorm, met een glazen wand aan de tuinzijde. De achterzijde wordt geheel in beslag genomen door een rotsmuur, waarin subtiel nagemaakte, knoestige boomstammen zijn verwerkt. Vele (mediterrane) planten en helder water in kleine poelen versterken het exotische effect, dat bij de meeste wintertuinen onontbeerlijk was. In de tuin staat nog een kleine grot.

In Duitsland zijn misschien minder cementrustieke bouwsels te vinden dan bijvoorbeeld in Frankrijk, België of Portugal, maar ze zijn er wel degelijk. Eind negentiende eeuw was het ook in dit land modieus om een ruimte in een huis, villa of groter gebouw aan te kleden als een wintertuin, of hiervoor een reeds bestaande ruimte te selecteren. Een staaltje van deze trend is te zien op de derde verdieping van kasteel Neuschwanstein, waar koning Ludwig II een kleine inpandige grot, met een kleine waterval, liet inrichten tussen zijn studeerkamer en woonkamer, geïnspireerd op decorbouw van August Dirigl. Dirigl was van het maken van toneeldecors overgeschakeld naar de bouw van kunstgrotten, waarvoor hij een eigen bouwtechniek had bedacht (22). Ludwig II had in navolging van zijn vader omtrent 1870 ook een veel grotere wintertuin van 80 bij 17 meter laten bouwen door Eduard Riedel, bovenop zijn residentie in München. Deze Beierse architect schiep een jungle-landschap, compleet met watervallen, een rotswand, vijver en een druipsteengrot.
Vooral de combinatie van wintertuin-restaurant, zoals bij het Franse voorbeeld van Hotel Maréchal, was geliefd bij onze oosterburen. Deze subcategorie van de wintertuin als bouwtype wordt hierna besproken.

Restaurant Jouanne nu woonhuis, foto 2015 (Frankrijk, Fontaine-Henry)

Restaurant Jouanne, Fontaine-Henry (F), ansichtkaart ca. 1910

Horeca en vermaak
In Tilburg werd in 2009 in het sterrenbos van de Oude Warande de Grotto geopend. Het ontwerp van dit etablissement voor lunch of een borrel werd bedacht door de Australische kunstenaar Callum Morton. Van buiten ziet het eruit als een paviljoen in de vorm van een groot formaat schoenendoos. Het interieur is interessanter, verrassend vermomd als een grot. Weliswaar is hier geen cement gebruikt, maar moderner materiaal, waarschijnlijk glasvezel. Het groteffect is minder: geen kilte, halfduister of vochtigheid, zoals het bij een ‘echte’ kunstgrot behoort te zijn.
Het idee om een café-restaurant, hotel of een uitspanning in te richten als een grot is zeker niet nieuw. Het is een typisch burgerlijk verschijnsel ter vermaak, dat is terug te voeren tot de romantische kunstgrotten in de vele voorbeelden van landschapstuinen in Europa. In België stond zo’n logement te ‘s Gravenwezel, l’ Hotel de la Grotte, twintig kilometer verwijderd van Antwerpen. Het was een substantiële kunstgrot, met namaak-bomen als pilaren en ander cementrustiek werk, die een onderdeel van het hotel vormde. De folly dateert uit om en nabij 1900 en werd gebouwd door André Edmond Paul, die de grot inrichtte om dagjesmensen uit Antwerpen als klandizie aan te trekken. Het hotel werd in 1966 gesloopt (23).
In Brussel, aan de Rue de la Putterie was aan het begin van de twintigste eeuw een etablissement gevestigd met de naam: la plus belle grotte de la Belgique. Het werd uitgebaat door Antoine Trojan, die blijkbaar internationaal georiënteerd was, of pretendeerde te zijn. Hij adverteerde, volgens het opschrift op een prentbriefkaart uit 1904, met: Véritable Bière de Pilsen, Echtes Pilsner bier, Prave Plzenské pivo. Op de kaart is het interieur van deze horecagelegenheid te zien. De ruimte is grotendeels gevuld met mannen met grote snorren en baarden en hier en daar een bolhoed. Ze zitten aan tafels waarop grote pinten staan. Achter het liederlijk volk is een muur te zien die in zijn geheel een nabootsing van een rotswand beoogd, en hier zo te zien in slaagt. Het is echter de vraag of het hier gaat om faux rochers of echte rotsbrokken die aan en op elkaar gemetseld zijn.
In Frankrijk zijn er tientallen, zo niet honderden voorbeelden (geweest) van ciment-rustique. Wat betreft rustieke horeca-architectuur zijn er enkele goede voorbeelden te vinden, die helaas niet meer allemaal bestaan. In het plaatsje Fontaine-Henry (Calvados) is Restaurant Jouanne ontkomen aan de slopershamer. Het was oorspronkelijk een uitspanning, uitgebaat door M. en Mme Jouanne, die ook bekend stond als La halte des cyclistes. Het is een tamelijk saai, rechthoekig gebouw, dat aan de voorzijde en opzij langs de straatkant als het ware geheel wordt opgefleurd door (min of meer) rechte en kronkelende cementen boomstronken en -takken, die van beneden naar boven dit gebouw sieren. Restaurant Jouanne werd in 1845 gebouwd, en deze keer is de naam van de bouwer zelfs bekend: Alexandre Dumas, rocailleur (nee, niet de beroemde schrijver). In de loop der jaren is het pand voornamelijk in gebruik geweest als eetgelegenheid, maar daarnaast ook als garage en kapperszaak.

Een vergelijkbare uitspanning stond bij de bossen van Sénart, aan de zuidelijke rand van Parijs: Le Chalet de la Croix de Villeroy. Dit ‘chalet’ was eveneens bedoeld voor dagjesmensen, hier opnieuw vooral fietsers, die onder het genot van eten of drank binnenin of op het terras konden verpozen. En, evenals Restaurant Jouanne en de Tilburgse Grotto was het gebouwd als een bovenmaatse schoenendoos (wel zo praktisch voor een restaurant), maar is het aan de buitenkant nog uitbundiger gedecoreerd met cementen boomstammen; zelfs steken er namaak-rotsen uit een zijkant van het gebouw. Het nabijgelegen casino van Enghien-les-Bains was in de tweede helft van de negentiende eeuw voorzien van het uiterlijk van een schip, compleet met masten en boeg, en direct daarnaast was een immense rotspartij geformeerd, La Grotte du Casino, waarin een restaurant was gevestigd. De imposante architectuur van de Bains Chinois te Parijs aan de Boulevard des Italiens dateert uit 1787 en werd gebouwd door de architect S.N.F. Lenoir (1728-1810), die vooruitlopend op de vele voorbeelden van cementrustiek na 1850, de ‘bains’ niet alleen van chinoiserie voorzag maar het café op de begane grond versierde met een gevel van rotswerk. De rotsfaçade werd in 1831 gesloopt om plaats te maken voor enkele boutiques; in 1853 viel het doek voor het gehele gebouw (24).
Evenals de Parijse Bains, Le Chalet de la Croix de Villeroy en het Casino-restaurant van Enghien-les-Bains bestaat de achthoekige Kiosque rustique du Père la Galette te Sannois niet meer. Het was een klein paviljoen van twee verdiepingen, waar men flensjes kon eten, die werden opgediend door een man met een apenmasker op zijn hoofd. (De reden hiervoor is vooralsnog een raadsel). Het onderste deel van de kiosque was bedekt met een onregelmatig gevormde laag cement, als illusie van een rotswand.

Kaffee Reichsadler, Blaue Grotte, 1934 (Duitsland, Augsburg-Pfersee)

Kaffee Reichsadler, Blaue Grotte, ca. 1934

In Duitsland raakte het cementrustieke bouwtype van grotrestaurant omstreeks 1900 ook in zwang (25). Er zijn meerdere voorbeelden van bekend. In 1899 bouwde de al eerder (onder ‘wintertuinen’) genoemde August Dirigl in een ruimte van Nachtcafé Goldener Stern te Mannheim een druipsteengrot na, compleet met stalactieten en stalagmieten en kille rotswanden, genaamd Ludwigs-Grotte. Dirigl maakte oorspronkelijk toneeldecors en ontwikkelde zich tot Landschaftsplastiker. Hij werd bekend door zijn werk aan de befaamde Venusgrot van Ludwig II bij Slot Linderhof, die in 1876-1877 werd voltooid. De naam van de kunstgrot in Mannheim verwijst naar de opdrachtgever van de Venusgrot, waarop het rotsrestaurant van nachtcafé Goldener Stern was geïnspireerd.
In Duitsland werden in de tweede helft van de negentiende eeuw en nog decennia daarna vele uitspanningen opgericht, vaak aan de rand van de stad, dichter bij de natuur, waarbij de combinatie van wintertuin met restaurant veelvuldig voorkwam. In 1866 bouwde Ernst Richter de Wintergarten in Chemnitz-Schönau, met drie zalen, waarin 6000 mensen zich konden vermaken met dans, theater en gastronomie. De Tropfsteingrottensaal Flora was ingericht als restaurant. In het concurrerende etablissement Feldschlösschen in Chemnitz, waren de muren van de (eet)zaal bekleed met rotswerk. In de wintertuin-met-restaurant van Ewald Risse te Dortmund aten de gasten onder een rotsplafond. Nog een voorbeeld in deze trant bevond zich in Arnstadt: Restaurant Herzog Hedan. Hier was aan tegenovergestelde zijden van de eetruimte een rotspartij tegen de muren geplaatst; de een met een trap naar een terras met galerij, de ander met een kleine grot. Een gelijksoortige constructie was te zien in een wintertuin-restaurant te Mühlheim a.d. Ruhr: een rotstrap voerde vanuit de eetzaal aan een zijde naar een hoger gelegen terras en aan de andere kant waren hoge imitatie-boomstammen geplaatst. In Weida, dat evenals het zo-even genoemde Arnstadt in Thüringen ligt, heeft de Gaststätte Schöne Aussicht met Wintergarten im restaurant, waar muren en plafond bedekt waren met ruwe (kunst)rotsen, meer dan 100 jaar bestaan totdat het in 2012 afbrandde. De grote, lange ruimte was verdeeld in vakken onder rotsbogen en toont daarmee gelijkenis met de ritmische bogenopbouw van het bijzonder kunstige Ruïne-theater in Felsengarten Sanspareil te Bayreuth uit 1744. In Hannover werd een wintertuin-restaurant gebouwd in het casino, naast een theater. Het was der vornehmsten Gatronomiebetriebe in der Stadt. Op een ansichtkaart uit 1897 is te zien dat in een van de eetzalen een rotswand was gebouwd, waarin een kleine waterval bevallig naar beneden kletterde.

Het enige (bewaarde) Franse voorbeeld van de combinatie jardin d’hiver en restaurant dat ik heb kunnen achterhalen, is te vinden in Le Chapon Fin, aan de Rue Montesqieu in Bordeaux. Dit etablissement werd eind negentiende eeuw opgezet door Louis Mendiondo en Joseph Sicart en werd in zijn tijd bezocht door beroemdheden als Toulouse Lautrec en Sarah Bernard, vanwege de exquise keuken. In een grote ruimte werd de achterwand geheel in beslag genomen door een grot, kunstmatig opgebouwd van natuurlijke rotsen, voorzien van vele planten (zoals dat hoort bij een wintertuin) en met een trap naar boven, naar een terras. De trapleuningen en balustrades van het terras waren van namaak-boomstronken. Deze formidabele kunstgrot is nog geheel intact.

Een variant op de combinatie wintertuin-grotrestaurant is de op zichzelf staande eetgelegenheid met rotsinterieur, meestal van latere datum. In Achkarren, een stadje in het Zwarte Woud, omringd door wijngaarden, stond de Wintzerstube Zur Krone mit (Schlossberg) Grotte. En hier gaat het fout. Dat wil zeggen, het grotinterieur dat tot in de eerste decennia van de twintigste eeuw nog vakkundig werd geconstrueerd, neemt af in kwaliteit; de nabootsing van het rotswerk is niet meer zo verfijnd als daarvoor, de imitatie lijkt niet goed meer op het (natuurlijke) origineel. Er komen ook amateuristische muurschilderingen aan te pas, kabouters en andere kitsch. De Wintzerstube-grot was tot eind vijftiger jaren, mogelijk zelfs later, nog in gebruik. Die Blaue Grotte in Hotel zur Linde bij Luftkurort Hardert-Rengsdorf dateert ongeveer uit dezelfde tijd. Het rotsplafond lijkt wel van papier-maché gemaakt, en dat moet ook daadwerkelijk het geval zijn geweest. Andere voorbeelden van deze inferieure manier om een grotinterieur na te bootsen waren: Die blaue Grotte te-Fischbach-Weierbach a.d. (= an der) Nahe; Kaffee Reichsadler, Blaue Grotte te Augsburg, Pfersee en de Rheingold Grotten Schützenhaus in Sohland a.d. Spree. Allicht was het goedkoper om papier-maché te gebruiken als materiaal voor de grotinrichting, maar het risico op brand was dan wel groter. Zo brandde de Blaue Grotte in Hotel zur Linde bij Luftkurort Hardert-Rengsdorf in 1967 geheel af. De meeste voorbeelden van deze goedkope grotversie werden tussen 1930 en 1960 gemaakt. Ze zien er allemaal min of meer hetzelfde uit met kabouters in alle hoeken en gaten en foeilelijke muurschilderingen met landschappen. Waarschijnlijk is het papier-maché interieur een bouwpakket geweest en is het in serie geproduceerd om te voldoen aan de vraag naar een goedkoop alternatief voor een meer bewerkelijke ingerichte ‘grot’, zoals het geval is bij de eerdere cementrustieke versie.

Herstellingsoord Fiat (Italië, Moncalieri) [Coll. Anton Nuijten]

Herstellingsoord Fiat, Moncalieri (I) (coll. AN)

In Italië lijkt het vakmanschap van de rotseerkunst beter bewaard, te oordelen naar de inrichting van bijvoorbeeld Ristorante La Grotta in Sestri Ponente, nabij Genua. Het was in zijn tijd een beroemd restaurant (conosciuto per il mondo), geheel uitgemonsterd als een grot: een lange zaal met tafels onder knap nagemaakte rotsbogen (26). De stalactieten en stalagmieten waren wel echt, aangevoerd uit een druipsteengrot in de bergen. Als extra was er nog een kleine ondergrondse vijver gemaakt waar de gasten konden varen in een bootje, zoals dat ook mogelijk was in de eerder geconcipieerde Venusgrot van Slot Linderhof in Oostenrijk. Restaurant La Grotta heeft bestaan vanaf 1932 tot 1950, toen het werd gesloopt.
In La Grotta Gino in Moncalieri (bij Turijn), waar zich ook de eerder genoemde kunstgrot van het herstellingsoord van Fiat bevond, kon men eveneens met bootjes over kanalen in ondergrondse tunnels varen naar een vijver. Lorenzo Gino, plaatselijk timmerman, had de grot met bijbehorend gangenstelsel zelf uitgegraven tussen 1855 en 1885. In nissen had hij overal patriottische beelden en taferelen geplaatst tussen talloze wijnflessen. Eén van de ondergrondse ruimtes was ingericht als theaterzaal. Naast de grot was een restaurant gebouwd. Een deel van de klandizie kwam wellicht van de Fiat-arbeiders die vertoefden in het herstellingsoord van de fabriek in dezelfde plaats. Een andere Gino – Giovanni – bezocht de kunstgrot in Moncalieri, zag ter plekke dat het veel bezoekers trok en dacht: dat kan ik ook. Dit is het verhaal achter Ristorante Grotta Gino in Seste San Giovanni, nabij Milaan. De grot van Giovanni dateert uit 1906 en bevond zich onder een heuvel. Ook hier konden bezoekers rondvaren in bootjes. Beide Gino-grotten zijn namaak, maar het is de vraag of er veel cementdecoratie is, of was, te zien. De entree van de grot in Sesto San Giovanni is het meest opvallend: een ronde opening, afgezet met imitaties van stalactieten, waardoor bootjes over een kanaaltje de grot in konden peddelen, zoals bij een pretpark.

In de Birreria alla Grotta te Venetië was het plafond versierd met een massa smalle, naar beneden hangende druipsteenkegels. Behalve een enkele afbeelding is er niets meer over te vinden; het zal niet meer bestaan (en daar hoeft niemand rouwig om te zijn, want het zag er niet uit). Meer naar het Noorden, in Tsjechië, is het interieur van restaurant Triton te Praag daarentegen boven verwachting te omschrijven als een proeve van cementrustiek; naar alle waarschijnlijkheid is het een tamelijk zeldzaam voorbeeld van deze vorm van decoratie in dit land (naast de in een volgend artikel in dit blad te bespreken magnifieke kunstgrot in Havlíčkovy Sady, eveneens te Praag). Het restaurant bevindt zich in de kelder van een groot pand dat in 1911 werd aangekocht door Emil Ročák, die het verbouwde tot een hotel en eetgelegenheid. Het interieur van het kelderrestaurant werd uitgevoerd in de toentertijd populaire Art Nouveau-stijl en daarbij vakkundig ingericht als een druipsteengrot. De maker is onbekend. Tussen het rotswerk op de wanden waren beelden te zien van mythologische figuren, zoals Orpheus en Eurydice. Er was ook een klein podium voor cabaret of ander amusement, waar bekende Tsjechische acteurs uit die tijd, zoals de komiek Vlasta Burian (tot 1928), optraden. Goed nieuws: het Praagse grotrestaurant bestaat nog steeds. Het bevindt zich onder Hotel Adria, aan het befaamde Wenceslasplein 26.
In Amerika is alles groter en beter, althans volgens de mening van de inwoners van dit land. In het geval van de restaurants van hotel Grunewald in New Orleans, Louisiana en The Barn in Bilmington, New York, geldt dit zeker voor de kitsch. Deze is overdadig en onvervalst aanwezig. Louis Grunewald bouwde in 1910 de kelder onder zijn hotel om tot The Cave. Met duizenden kilo’s cement werd de ruimte, bedoeld als restaurant (later ook in gebruik als nachtclub), omgetoverd tot een namaak-druipsteengrot, die van onder tot boven was versierd met stalactieten en stalagmieten, vele beelden van wulpse nimfen en watervalletjes. The Barn is soberder ingericht als grot. Er bestaan verschillende soorten ansichtkaarten van. In het onderschrift van een van deze kaarten wordt de maker genoemd: D(avid) L. Stewart en wordt het restaurant aangeduid als een American-Chinese Restaurant (air conditioned). Op de rand van het plafond van de eetzaal staat met grote letters te lezen: chinese grotto – vandaar de lampions, slangen en draken op alle nep-rotswanden en het plafond, dat als een rotskoepel is uitgevoerd. Het restaurant werd in 1933 gebouwd en bleef tot circa 1980 in bedrijf (27). De kwaliteit van het imitatie-rotswerk in beide eetgelegenheden laat te wensen over. (Of dat ook voor het eten gold is niet bekend). Maar het moet gezegd: de Amerikaanse voorbeelden zijn erg consequent; bij namaak-rotswerk hoort immers namaakkunst, oftewel kitsch.

Ingang Cabaret de L'Enfer (Frankrijk, Parijs)

Cabaret de L’Enfer, Parijs (F)

Aan de andere kant van de oceaan, in Parijs, ontstonden aan het eind van de negentiende eeuw speciale gelegenheden, waarbij de horecafunctie nog wel aanwezig was, maar waar het vooral ging om amusement. Dit waren de cabarets artistiques. Een vermaard voorbeeld is het Cabaret of Café de L’Enfer, gesitueerd in Montmartre aan de Boulevard de Clichy, naast zijn tegenpool, Cabaret Ciel. De façade van Cabaret de L’Enfer is indrukwekkend. De bezoekers kwamen binnen via de opengesperde muil van een monster met grote hoektanden en priemende ogen, de aloude hellemond. Het overige deel van de gevel bestond uit een vakkundig nagemaakte rotswand met veel hangende druipsteenpegels. Daarboven waren nog enkele duivelse taferelen te zien. Het Cabaret had een veelbelovend programma met attractions diaboliques, waaronder een scene waarbij Satan zijn duivelse echtgenote Titania in de vlammen van de hel werpt en taferelen met het lijden van de eeuwig verdoemden. Er was ook een ruimte ingericht als een grot met een diversiteit aan macabere figuren, uitgebeeld tegen het plafond. Hier konden de gasten iets drinken, bediend door personeel, verkleed als duivels, en de stomende dampen van vulkaanachtige rook naar genoegen inademen. Het Cabaret de L’Enfer opende zijn muil in 1896 en werd in 1950 gesloopt.
Ook een andere geliefde vorm van amusement in Parijs werd luisterrijk versierd met cementrustiek, te weten het luxueuze bordeel Le Chabanais, dat dicht bij het Louvre was gesitueerd. Het werd in 1878 geopend. Kosten nog moeite waren gespaard voor de inrichting, waaronder een grotkamer met een kleine waterval. In een foto uit 1910 is deze kunstgrot goed te zien. De buste van een van de aanlokkelijke prostituees (Emma) is decent in een raampje in de kleine ruimte gemonteerd. Beroemde gasten als Gary Grant, Mae West en Edward VII, diplomaten en bankiers, kwamen graag op bezoek in Le Chabanais; Toulouse-Lautrec gaf het op als zijn huisadres. In 1946 werd de hoerenkast gesloten, toen dergelijke etablissementen in Frankrijk bij wet werden verboden (28).

Tot zover het eerste deel van de geschiedenis en ontwikkeling van cementrustiek over de Nederlandse grens tot aan verre einders. In een volgend artikel zal ik aandacht besteden aan andere typen van cementbouw- en decoratie, zoals: grafkunst, pret- of lunapark constructies met Alpenlandschappen, kunstgrotten, stadsparken en dierenverblijven.

Trefwoorden / alternatieve benamingen cementrustiek in meerdere talen:

Nederland en België (Vlaanderen):
cementbeton
cementrustiek
gewapende cementering / gewapend cement
grot, kunstgrot, aquariumgrot
imitatie-boomstammen /hout /rotsen
kunstbeton
kunstmatige grotwerken
rotseerder of grot- / rotswerker: stukadoor / metselaar, gespecialiseerd in werken met (kunst)rots,
rotsbouwkundige
rotspartijen in cement
rotswerken of rots- en rustiekwerken

Spanje / Spaanstalige landen
artefactes de adorno en cemento armado: artefacten ter decoratie in gewapend cement
cemento imitacion madera: faux bois, cementen imitaties van hout / boomstammen en takken
cueva: grot
ferrocemento: (soort van) gewapend betonconstructie met ijzeren stangen of staven
gruta: grot
hormigón / concreto / cemento armado: gewapend beton
picapedrero: steenhouwer
rocallas: rotspartijen
(Mexico/VS, zuidelijke staten)
trabajo rustico: rustiek- / rotswerk
ciment rustico: cementrustiek
(Argentinië)
estilo (stijl) de grutescos (grotesken) y rocalles (rotsen): cementrustiek
rocallas: rotspartijen
trabajo en cemento: cementrustiek
tronco / arbol(es): boomstam, boom

Frankrijk
architecture rustique
artisan du ciment: rocailleur / rotseerder
beton sculpté / rustique
ciment: cement, steenmortel
ciment rustique
cimentier: metselaar, stukadoor, cementwerker
cimentier naturiste
cimentier rocailleur
faux bois: imitatie / namaak-hout (boomstronken, -stammen, -takken)
faux rochers: namaak rotsblokken, -partijen, kunstrots
forestier blanchi (stucwerk)
grotte en ciment: kunstgrot
grotte artificiel of grotte artificielle jardin): kunstgrot
(un) maçon: metselaar
rocaille of style rocaille: hier in de betekenis van grot / rotswerk als decoratieve stijl
(spécialiste / artiste) rocailleur / rustiqueur : rotseerder, rotswerker
rocailleur paysagiste
rocher artificiel (m.n. modern kunstrotswerk)
travaille rustique

Portugal / Portugese taal
gruta (aquario): grot (aquariumgrot),
gruta (in combinatie met: jardim, parque en / of quinta Portugal)
rocho, rots

Italië
cemento armato: gewapend beton
grotta (artificiale)

Duitsland
(künstliche) Grotte
Landschaftsplastiker: soort van steenhouwer of rotswerker, bouwer van kunstgrotten en andere cementrustieke constructies / versieringen
Zement

Tsjechië
jeskyne / grotta (druipsteen)grot (in combinatie met: sady / zahrada (tuin)

Noten:

  1. Zie Wim Meulenkamp, ‘Cementrustiek, een vergeten negentiende- en vroeg twintigste eeuwse stijl en techniek’, deel 1 en 2, in: Nieuwsbrief DonderbergGroep, nr. 12, 1998, pp. 2-7 en nr.13, 1998, pp. 7-19. In deze artikelen is meer informatie te vinden over de achtergronden van cementrustiek, de makers ervan en een lijst van zowel Nederlandse als Belgische voorbeelden.
  2. Meulenkamp, op. cit.
  3. Over de emigratie van Italiaanse vaklieden, hun ondernemingslust en vakbekwaamheid, zie: www.vijfeeuwenmigratie.nl/land/Italië; M. Collins, ‘Italiens en France, ‘Le bâtiment, vecteur d’intégration’, in: Constructif, sommaire no 15, 2006 (www.constructif.fr/bibliotheque/2006-10/italien-en-france); E. Zanello, ‘De Maçon-cimentier à entrepreneur: le parcours d’un émigré italien du bâtiment en Normandie’, in: Cahier des Annales Normandie, 2001, vol 31, pp. 257-266; Jean-Noël Colin, ‘L’immigration italienne dans les métiers du bâtiment en Basse-Normandie, images et documents’, Cahier des Annales de Normandie, 2001, vol. 31, nr 1, pp. 225-25; www.persee.fr/doc/annor (‘l’immigration italienne du batiment en Basse Normandie’); en Perspectives on Garden Histories, Dumbarton Oaks Colloquium on the History of Landscape Architecture, vol 21, M. Conan (ed.), Washington DC 1999, p.193. De terminologie voor cementrustiek en bijbehorende ambachtslieden verschilt per land. Aan het eind van dit artikel is een lijst toegevoegd met trefwoorden en alternatieve benamingen.
  4. Het enige mij bekende boek over cementrustiek, maar dan vnl. gericht op Franse voorbeelden, is dat van M. Racine, Jardins ‘Au Naturel’, rocailles, grotesques et art rustique, Paris, 2000. Overige literatuur: Institut Français d’Architecture, Cat. Tentoonstelling, ‘Les Rocailleurs, architecture rustique des cimentiers marseillais, s.l., 2004; Abbé Bouillet, Contribution à l’histoire de l’art des rocailleurs, s.l. 1893; en Yves Gauthey, Les rocailles, une architecture oubliée, s.l., 2014. Behalve het oudere boek van Bouillet gaan de andere genoemde werken met name over (de op hoog niveau staande) rocailleur-kunst in Marseille. Over cementrustiek in Argentinië, m.n. Buenos Aires, zie: D. Schávelzon, ‘Cuando el Arte ilegó al cemento: Arquitectura de gruttescos y rocalles en Buenos Aires’, in: Todo es Historia, nr. 320, maart 1994, pp. 62-70 (www.danielschavelzon.com.ar). Recent uitgegeven Duitse boeken over kunstrotswerk: Julia Berger, Kilian Jost en Uta Hassler e.a., Konstruierte Bergerlebnisse: Alpenszenerien, Wasserfälle, illuminierte Natur, München 2015; E. Baratay, J. Berger, A. Bucher e.a., Felsengärten, Gartengrotten, Kunstberge, Motive der Natur in Architektur und Garten, München 2015. Voor Brazilaanse tuinen, zie: C. Magelhaes, Jardins Historicos Brasileiros, doctoraalstudie Universiteit Coimbra, Coimbra s.a. (https://upcommons.upc.edu)
  5. André (1840 -1911) was onder andere betrokken bij de aanleg van stadsparken in Montevideo (1890). Hij heeft veel buiten Frankrijk gewerkt, waaronder Nederland. In 1886 ontwierp hij een plan voor de tuinen van kasteel Weldam bij Goor. Paul Villon had in Parijs van de stedenbouwkundige J. Alphand de techniek geleerd hoe gewapend beton te gebruiken voor het maken van kunstrotswerk. Alphand leidde de bouwwerkzaamheden van het Parc des Buttes-Chaumont circa 1865.
  6. In dierentuinen over geheel Europa en aan de andere kant van de oceaan zijn vele kunstrotswerken gebouwd, variërend van grotten en bruggen tot ‘bergen’ voor allerlei soorten van dieren. Veel rotswerk is bijvoorbeeld te zien in de Antwerpse Zoo en in de voormalige dierentuin van Gent, alsook in Artis en Diergaarde Blijdorp ( De Rots, met observatorium in de vorm van een schijnkasteeltje bovenop), de Jardin d’Acclimatation in het Bois de Boulogne, Parijs en de oude dierentuin van Buenos Aires, Argentinië. Grote kunstrotsbergen zijn gebouwd in Carl Hagenbeck’s Tierpark in Hamburg en de dierentuinen van Vincennes en Rome. De kunstrotsen in dierentuinen en pretparken komen in het volgende deel van dit artikel aan de orde.
  7. Het zgn. trickle down proces wordt beschreven in: M. Conan (ed.), op. cit, p. 194. Hierbij dient wel opgemerkt te worden, dat er ook rijke burger-opdrachtgevers waren – al dan niet met een voorbeeld uit een catalogus in gedachten, zo niet in de hand – die hun wensen vrij exact te kennen gaven aan de rocailleur, die dan minder tot zelfs nauwelijks speling had in de uitvoering van het betreffende cementrustieke bouwsel.
  8. Er bestaat een artikel over Villa Socrates van Olivier de Rode, ‘De geschiedenis van Villa Socrate’, De Beiaard, Weekblad van Zuid-Oost-Vlaanderen, 11 juni 2010. Ondanks meerdere pogingen hiertoe heb ik het stuk niet kunnen bemachtigen.
  9. Geciteerd uit minder betrouwbare bron: http://www.theghosthunter.nl/jachthuis.htm.
  10. Het werk van Tondeleir te Averbode wordt elders in deze PorteFolly nader besproken, zie Glen Geeraerts, ‘Gewijde geschiedenis in beton, het Mariapark Averbode (België)’, PorteFolly, nr 43, 2016.
  11. Citaat uit: blogimages.bloggen.be/voetstukjes/attach/91116.pdf
  12. Zoals vermeld in: https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/91199. De meeste van de overige in deze opsomming opgenomen locaties met cementrustieke constructies zijn eveneens terug te vinden op de site https://inventaris.onroerenderfgoed.be, onder vermelding van de naam van betreffend relict, of in eerdere nummers van de Nieuwsbrief van de Donderberggroep en het daaropvolgende PorteFolly.
  13. Voor deze en nog meer voorbeelden van rotseerkunst in de Ardennen, zie W. Meulenkamp, Follies, Bizarre bouwwerken in Nederland en België, Amsterdam en Antwerpen 1995, p. 185 e.v.
  14. Het park van Willebroek en het rustieke ensemble van Wetteren worden nader besproken door A. Nuijten, ‘Tabula Memoriales’, PorteFolly nr. 36, 2011 en nr 40, 2014, pp. 39-49, resp. p. 30.
  15.  Voor de villa te Jeumont en het huis in Parijs, zie Pieter en Ria Boogaart, ‘Follies in France II’, The Follies Journal, nr 10, 2010, p.106-107 (Jeumont) en p.133 (Parijs).
  16. Geciteerd uit: P. en R. Boogaart, op. cit. (deel 2), p.133. De façade van Hotel-restaurant Rustic te Bandon, nabij Toulon aan de Franse rivièra, lijkt sterk op de cementrustieke gevel aan de Place Martin Nanoud. Een Belgisch voorbeeld van een crèche met cementrustieke bouwelementen stond ooit in Willebroek, naast de fabriek van Louis De Naeyer, een industrieel met sociale inborst. Dit ‘kinderverblijf’ bestond uit een langgerekt, aan alle zijden geopend paviljoen met cementen bomen, die een rieten dak droegen.
  17. Geciteerd uit: https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/47754, Domein Hof ter Hulst (oude naam voor kasteel De Naeyer). In deze bron is nog meer informatie te vinden over de wintertuin, het landhuis en de omringende tuin van De Naeyer. Zie ook http://www.cascade1987.nl/andre-stuurde-fotos-en-catalogus/.
  18. Op het omslag van de catologus wordt aangegeven dat het gaat om een Serie, de prix (prijslijst) van Ciments & Bétons, Société Anonyme, Ancienne Firme Blaton-Aubert, 4 Rue de Pavillon, Bruxelles, uit 1889. Hierin zijn champignons tabourets jumeaux [et] simple afgebeeld voor de prijs van 25, respectievelijk 15 francs. In de wintertuin van De Naeyer staat de tweeling-versie. (Het is beter daar niet op te gaan zitten). Andere voorbeelden van cementen imitatie-paddenstoeltjes zijn te vinden in de (achter)tuinen van: Herenhuis, Kerkstraat 54 in Waasmunster, Huis De Smet te Berlare en Villa Martha te Elsendamme.
  19. Voor de firma Frans Janssens en andere rotseerders in Westmeerbeek, zie: Glen Geeraerts, ‘De rotseerders van Westmeerbeek, Een eeuw cementrustiek uit de Antwerpse Kempen‘, in: PorteFolly, nr 39, 2013, pp. 13-19 en nr 40, 2014, pp. 3-8; weblog Tuinhistorisch genootschap Cascade, 6 maart 2012, Villa Janssens; en W. Meulenkamp, op. cit., nr 12 en 13 en W. Meulenkamp, op. cit. (Follies), pp. 266-267, 283-284.
  20. In de tekst van de inventaris onroerend erfgoed België, https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/209986 (Kasteeldomein van Loppem), wordt alleen de naam Viérin genoemd. Zowel vader Jozef (1872-1949) als zijn zoon Luc (1903-1979) waren architect/ontwerper. De datum 1913 duidt op senior als ontwerper van de wintertuin.
  21. Deze wintertuin en waarschijnlijk ook het rotswerk in de aanpalende tuin zijn recentelijk gerestaureerd door Stefan Vidts, tuin- en landschapsarchitect. Zie verder: http://www.stefanvidts.be/portfolio/restauratie-romantische-stadstuin-uit-1890/.
  22. Zie verder Julia Berger, ‘Die Grotte im Schloss Neuschwanstein’, in: Zeitschrift für Kulturwissenschaften, nr 2, 2014, pp. 31-51.
  23. Voor meer informatie over het Hotel de la Grotte, zie: ‘Tabula Memoriales’, PorteFolly nr. 38, 2013, pp. 42-43.
  24. Voor het ‘chalet’ en casino, zie verder A. Nuijten, ‘Follies en vermaak tijdens de Belle époque, ‘fabriques’ in Brunoy en Enghien-les-Bains, “par exemple” ‘, in: PorteFolly, nr. 34, 2010, pp. 18-21. Wim Meulenkamp attendeerde mij op het bestaan van de Bains Chinois.
  25. Voor de mode van grotrestaurants in Duistland, zie: Julia berger, ‘Grotten-Interieurs der Gastronomie, Raumgestaltung mit einem Natur- und Gartenmotiv’, in: Archiv für Kulturgeschichte, vol. 96, nr 2, 2014, pp. 369-404. Van het artikel ken ik alleen het extract op internet.
  26. Geciteerd uit: Genova Insolita, ‘Le curiositá storiche di Sestri Ponente, ed. Biblioteca Bruschi-Sartori’ (pdf), Genova 2015, p.15.
  27. Voor beide Amerikaanse restaurants, zie verder: A. Nuijten, ‘Tabula memoriales’, PorteFolly, nr 33, 2009, p. 28 en nr 34, 2010, pp. 24 en 25.
  28. De Japanse kamer van het bordeel won de eerste prijs op de wereldtentoonstelling van Parijs in 1900. Voor meer gegevens over de inrichting van bordelen in Frankrijk en Noord-Afrika van 1860 – 1946, zie het lijvige boek van Nicole Canet, Décors de Bordels, s.l. 2011

 

pagina laatst bijgewerkt: 07-09-2017

Foto’s:


<== Inhoud PorteFolly 43