Follies, tuinsieraden en vermaaksarchitectuur

Folly

Fort Ham (Gelderland, Holkerveen) [Foto: Hetty Wilming]

Kanonnen gericht op Amersfoort

Een folly is een bouwkundige dwaasheid. De term is van oorsprong een Engelse aanduiding, waarmee gebouwen werden omschreven die geen praktische functie hadden of er bizar, vreemdsoortig uitzagen. Dat gold toen met name voor de bouwwerken die, inmiddels meer dan twee eeuwen geleden, de eerste landschapstuinen in Engeland sierden. Ze werden in verschillende stijlen opgericht en toonden zich in de meest uiteenlopende verschijningsvormen, variërend van een schijn(namaak)ruïne of een grot versierd met de meest exotische schelpen tot een Romeins aquaduct (met waterval), een compleet Chinees dorp, een Turkse tent of moskee; huizenhoge rotspartijen, gemaakt van kunstrotsen (met bovenop nog graag een prieel) of een ruïneuze toren; kopieën van de St Pieter te Rome, de Eiffeltoren en de toren van Pisa, of kloeke torens gebouwd van afvalmateriaal, met de kanonnen (rioolbuizen) gericht op de naderende vijand… en nog veel meer.
Follies hebben zich als architectonisch fenomeen in de loop der tijd gehandhaafd en zijn opgewaardeerd van een marginaal bestaan aan de zijlijn tot waardevol cultureel erfgoed. Het is een verzamelnaam geworden voor allerlei buitenissige, dwaze architectuur, versieringen van tuinen, parken en kerkhoven en al dan niet functionele bouwsels met bijzondere amusementswaarde. Follies vallen vooral op door hun eigenzinnige vormgeving, vaak wars van de heersende smaak, hun originele materiaalgebruik, (ogenschijnlijke) nutteloosheid en vaak unieke reden van bouw (het verhaal erachter). In architectuurhistorisch opzicht zijn zij dan ook vaak van belang als proeftuin voor nieuwe bouwstijlen. Follies kunnen ook buiten de begrenzing van tuin of park voorkomen, solitair of in ensemblevorm.

Plaat IX (Gijsbert van Laar, Magazijn van tuinsieraaden)

Plaat IX (Gijsbert van Laar, Magazijn van tuinsieraaden)

Tuinsieraad

In een bron uit het laatste kwart van de zeventiende eeuw wordt al de omschrijving meer om cieraet dan gebruijk gebezigd in verband met een speelhuijsken op het buitenverblijf Zijpendael. In 1802 verschijnt het ultieme voorbeeldboek voor de Nederlandse tuinkunst uit die tijd, Magazijn van Tuin-sieraaden, van de hand van de hovenier Gijsbert van Laar. De ondertitel van het werk op het schutblad verduidelijkt dat het gaat om modellen van aanleg en sieraad, voor groote en kleine lusthoven. Tegenwoordig wordt de term tuinsieraad zowel gebruikt voor niet architectonische bouwelementen van historische tuinen – hierbij valt te denken aan zonnewijzers, beelden, tuinvazen en hekwerken ter decoratie-, als het gehele arsenaal aan tuinhuizen, priëlen, tempels, kinderhuisjes, schijnruïnes en zo meer die de bouwkundige stoffage van het tuinlandschap vormen. De DonderbergGroep prefereert de architectonische interpretatie. De meer uitzonderlijke tuinsieraden zijn ook als folly te duiden. Er is een grijs gebied, bij gratie van het bijkans ondefinieerbare karakter van follies.

Vermaaksarchitectuur

Al vanaf de Romeinse tuinkunst met kunstige hydraulische waterwerken, de enorme volières van Varro, Naumachia’s en wat dies meer, dient de tuin tot plezier, welbehagen, genot, vertier…. , kortom vermaak. Zo ook in renaissance- en baroktuinen, met fonteinen die speels iedere bezoeker kunnen bespatten, met de Bedriegertjes van park Roosendael en het Boekenbergpark als Nederlands, respectievelijk Belgisch voorbeeld. In de Engelse landschapstuin is er niet alleen sprake van esthetisch genot bij het aanzicht van het tuinlandschap en de gebouwen die erin waren geplaatst, maar er werden ook feesten in gegeven, men wandelde er of er werd gevist, of er werden verschillende soorten van balspelen gedaan. In de loop der tijd treedt het amusementsgehalte van tuinen en parken steeds meer op de voorgrond. Deze ontwikkeling is vooral duidelijk bij de Vauxhalls, Tivoli en Folie-parken die in Engeland en Frankrijk en ook elders in Europa, almaar meer publiek trekken in de loop van de achttiende en negentiende eeuw. De bezoekers zijn dan geen aristocraten maar burgers. Het vermaak breidt zich verder uit tot enorme Montagne Russes, een soort van glijbaan naar het Russische voorbeeld van skibanen, het reuzenrad en carrousels. Dergelijke constructies werden opgetrokken in Bagno Steinfurt en in Belleville te Parijs.

Olifant (Wereldtentoonstelling Amsterdam 1895)

Olifant op Wereldtentoonstelling Amsterdam 1895

Aan het eind van de negentiende eeuw zien we de ontwikkeling van de wereld- of internationale tentoonstellingen, of afgeleiden daarvan, zoals lokale tentoonstellingen voor land- en tuinbouw of voor handel en nijverheid. De kermissen ontwikkelen zich tot grote luna- of pretparken, met een grote variëteit aan vermaaksarchitectuur. Populair ca. 1900 zijn de zgn. ‘chutes’, waterglijbanen en de ‘scenic railways’, waarbij een treintje door een geheel kunstmatig gecreëerd rotslandschap rijdt, langs schijnruïnes en andere architectuur ontleend aan de voorbeelden uit de Engelse landschapstuin. Een goed voorbeeld hiervan is de Railway Cable in de Luna Gardens van de Exposition de Charleroi van 1911. Op de tentoonstelling voor het Hotel en Reiswezen te Amsterdam in 1895, kon de bezoeker onder meer een doolhof bezoeken en een drietraps olifant met bar en muziek beklimmen. En op vele kermisterreinen en pretparken is er nog steeds een spookkasteel, als een late, vercommercialiseerde vorm van het romantische schijnkasteel uit de landschapstuinen van weleer te zien. Wie kent het Sleeping Beauty Castle van Disneyland, in Annaheim (Californië) niet?
Vermaaksarchitectuur kent een grote variatie aan stijlen en gebouwtypes. Vele daarvan zijn als follies te betitelen. Het zijn vooral de uiteenlopende soorten van gebouwen op de negentiende-eeuwse tentoonstellingsterreinen, kermissen, en luna-, attractie- of pretparken en latere navolgingen daarvan die de aandacht trekken. Meer recent vallen de pret-bouwsels van grote vakantieparken, met name in Frankrijk, op. Zie, een nieuwe tendens…. Of moeten we hier nu echt de grens trekken, wat we nog als folly kunnen benoemen? En wat te doen met de kostelijke, voornamelijk Amerikaanse roadside architecture, zeer commercieel bedoeld weliswaar, maar bovenal om de passanten te verrassen. Eten in een dinosauriër, ijsco halen bij een iglo, een hotel in de vorm van een hond, drank en dans in de buik van een olifant, schoenen kopen in, inderdaad, een schoen (maar dan wel een erg overmaats exemplaar) – alles wordt geprobeerd om de klant te trekken, in welke (bouw)vorm dan ook.

ijskelder van Staverden (Gelderland, Ermelo) [Foto: Hetty Wilming]

Entree tot de ijskelder van Staverden

De veelheid van stijlen, materiaalgebruik en vormgeving van follies en daaraan verwante tuinsieraden of vermaaksarchitectuur, is moeilijk te overzien. Op verschillende manieren kan een onderverdeling worden gemaakt, zij het tamelijk arbitrair. In een eerste opzet is ervoor gekozen enkele folly-typen afzonderlijk te benoemen. Daarnaast worden allerlei bouwsels met overeenkomstige kenmerken onder een noemer gegroepeerd. Onder ‘bouwstijlen’ worden de verschillende stijlen waarin follies en tuinhuizen zijn gebouwd geëtaleerd. De categorie zelfbouw verwijst naar een aparte groep van follies, die door niet-professionele architecten zijn gemaakt en van meer recente datum zijn. Ook komen hier de zgn. kunstfollies aan bod. Dan is er tot slot nog een restcategorie met allerlei bouwwerken die niet onder een specifieke kapstok zijn onder te brengen. Hiertoe behoren onder anderen: ijskelders, pyramides, schotten, gedenktekens, mausolea, casino’s, obelisken en andere monumenten/gedenktekens, sierbruggen, waterwerken (fontein, cascade), omgedraaide huizen, horeca, toiletten, (diogenes)ton, en colonnades, muziektenten, religieuze bouwwerken (Lourdesgrotten, calvariebergen, processieparken) en oranjerieën.

De verschillende ‘foto-albums’ zijn gekoppeld aan de onderverdeling. Het is mogelijk dat een folly-type in verschillende categorieën is terug te vinden. Zo kan een toren in Moorse stijl, zowel onder ‘Torens en kastelen’ als onder ‘Bouwstijlen’ vallen.

1. Torens en kastelen,
2. Tempels en koepels,
3. Huis(jes)
4. Rustieke architectuur
5.Vermaaksarchitectuur
6. Bouwstijlen
7. Zelfbouw- en kunstenaarsfollies
8. Overig